Standerdmolen ‘Ter Haar’

Het verhaal van een oudgediende

Een oud gezegde leert dat veel wegen naar Rome leiden. De wegen van de molen bij Ter Haar waren in het verleden de smalle landelijke routes van Westerwolde. Maar niet eerder dan na een eeuwenlang bestaan als walmolen op een van de bastions in de vesting Bourtange vervoerde men hem langs die smalle wegen naar Ter Haar. In een godsdienststrijd van 80 jaar die generaties lang Spanje en Holland in zijn beklemming hield, ontstond het nevelige begin van de molen. Nevelig omdat zijn eerste vermelding niets anders is dan een ongedateerde plattegrond van de vesting

Mens en omgeving kwamen in enigszins rustiger vaarwater terecht toen de onbekende tekenaar van de plattegrond zijn werkstuk vervaardigde. Het was, zo niet helemaal vredig door weer andere godsdienstige twistpunten, toch een tijd van in ieder geval minder wapengeweld toen de tekenaar zijn werk, dat nu wordt bewaard in het Koninklijk Huisarchief, voor 1619 inleverde. Daarna was het ingenieur Schooner die in maart 1619 zorgde voor duidelijker gegevens over de molen. Hij tekende een kaart van Bourtange met de afbeelding van een standerdmolen op een van de bastions. Wanneer ‘s Lands Defensie opdracht gaf tot de bouw van de walmolen is nooit achterhaald.

Dat hij er stond was voor iedereen tot in wijde omtrek zichtbaar. Omsloten door ontoegankelijk moeras, was de vesting Bourtange slechts bereikbaar over een door landbouwers redelijk begaanbaar gehouden zandweg. Voor passanten die van deze z.g. ‘engpass’ gebruik maakten, moet de nieuwe molen na 1619 een geweldige blikvanger zijn geweest. Daarmee vanzelfsprekend ook een herkenningspunt voor vijandelijke troepen in opmars die de vesting met een bezoek dachten te vereren. Waar weer tegenover stond dat vijanden immer een warm onthaal wachtte, met goed gerichte salvo’s vanaf de wallen van het nooit ingenomen Bourtange.

De standerdmolen van Bourtange die na een eeuwenlang verblijf naar Ter Haar verhuisde en waar hij nu weer in zijn fraaie vormen herstelde, is een vertegenwoordiger van het oudste molentype in Nederland. Standerdmolens waren vaak onderwerp voor tekenaars die in voorbij gegane tijden ons landschap vastlegden op fraaie prenten. Wat er in de loop der tijden ook mocht veranderen op maalbedrijven, de standerdmolens behielden een grote stoere vorm. Nog altijd kan de vierkante ‘kas’ in zijn geheel om de zware houten spil – de standerd – draaien. Dat draaien van zo’n molenkast maakt tot op de dag van heden een imposante indruk op in ieder geval de leken onder ons. De voor- en achterzijde van de molenkast ofwel het ‘molenhuis’ zijn smaller dan de zijkanten. Een uitvinding om de meeste windvang op de wieken te verkrijgen en om bovendien binnen voldoende ruimte te houden. Het zal waarschijnlijk overbodig zijn te vermelden, dat het draaien van het molenhuis nodig is om bij elke windrichting de wieken recht op de wind te kunnen zetten. Op een onderstel van zware dubbele schoren en kruisbalken, verankerd op gemetselde stiepen ofwel teerlingen rust de standerd die daardoor in zijn verticale stand wordt gehouden. De meeste ruimte in het molenhuis wordt in beslag genomen door het maalwerk. Daar drijven tandraderen vanaf de wiekenas een tweetal verticale assen aan, die op hun beurt de molenstenen in de maalstoelen laten draaien. Meestal zullen in de st~nderdmolen twee verdiepingen worden gevonden waarover het maalwerk verdeeld is, op iedere verdieping een maalstoel.

De walmolen van Bourtange bezat een kuip met pelstenen onder de maalvloer. In zijn geheel genomen is het maalwerk van een standerdmolen van een niet al te ingewikkelde constructie. Om flink hoog door de lucht te kunnen gaan voor voldoende windvang, hebben de wieken een zekere lengte nodig. Het is daarom dat de molenkast een heel stuk boven de begane grond staat. Wind drijft wieken aan, dat is vanouds bekend, maar veroorzaakt ook een naar achteren gerichte druk op de wiekenkruias en het molenhuis. Deze winddruk wordt bij de standerdmolen voornamelijk opgevangen door de spil, soms ondersteund door de staartconstructie. Tegenovergesteld aan het wiekenkruis heeft de achterzijde van het molenhuis een zware buitentrap uit eikenhout. Verder is er de al even zware staartbalk die – verbonden aan het raamwerk van het grondvlak – van de houten kast naar achteren tussen twee traptreden doorbuigt. Het eind van de staartbalk is met twee eikenhouten balken stevig verbonden aan de trapkruias en kruiwiel vormen het vanzelfsprekende uiteinde van de staartbalk waarmee de molen op de wind wordt gezet.

In de eenvoudige uitvoering waartoe ook de molen van Ter Haar gerekend kan worden, wordt gesproken van een ‘open’ standerdmolen. Een afgedekt onderstel wordt beschouwd als een ‘gesloten’ standerdmolen. Door die afdekking wordt het samenstel van schoren en kruisbalken beschermd tegen de invloeden van weer en wind. Tegelijk ontstaat dan het voordeel van een bergplaats onder de molen.

Om het molenhuis binnen te kunnen gaan moet in ieder geval gebruik worden gemaakt van de buitentrap. De opgang eindigt in een door leuningen omgeven balkonachtige uitbouw waar de ingang tot het binnenste van de molen is. Boven deze deur is een vierkant luik dat de opening afsluit waarlangs zakken met graan naar binnen en anderzijds zakken met meel naar buiten kunnen worden gevoerd. Al naar gelang de streek waarin de molen staat is aan de top van de achtergevel een uitgebouwd dakkapelletje of luifeltje, dat het ‘luiwerk’ voor het hijsen en vieren van de zakken beschermt tegen weersinvloeden.

De molen van Ter Haar is in dit geval wel heel bijzonder met zijn bolgebogen kap van overstekende verticaal aangebrachte planken dat zo bescherming biedt aan het luiwerk. Het luiwerk zelf bestaat uit een houten as die binnen gekoppeld kan worden met de wiekenas waardoor met gebruikmaking van de windkracht op eenvoudige wijze het hijs – danwel vierwerk – gedaan wordt.

Onontbeerlijk zijn de gaten in de zijkanten van het molenhuis die door kleine luikjes zijn afgedicht. Het spel van de wind door deze gaten zal de molenaars niet altijd als muziek in de oren hebben geklonken. Hij hoorde aan de klanken duidelijk dat de wind van richting was veranderd en dat de molen opnieuw gekruid moest worden, ongeacht de weersomstandigheden buiten. Overigens moet het voor de liefhebber een machtig beleven zijn geweest de walmolen van Bourtange in vol bedrijf te zien. De houten roeden gingen door de wind met een gevlucht van 17,5 m, de molenzeilen bespanden de 22 heklatten aan de wieken.

Ook voor de ‘landsmeulle’ in Bourtange gold de ‘impost’ – belasting – op het gemaal. Voor de inning van de impost werden ambtenaren aangesteld die te boek stonden als ‘chercher’ en in de Groninger volksmond al gauw tot ’sarries’ werden. In heden noch verleden is men gecharmeerd geweest van het betalen van belasting. Dat valt onder de meest onbegrepen dingen. des levens en al even duister zijn de beweegredenen geweest van hen die overgingen tot het uitvinden van aangifteformulieren. Belastinggaarders werden nooit om hun vindingrijkheid geprezen, maar de sarries bij de korenwindmolens in het Groningerland waren toch wel buitengewoon ongeziene personen, Zelfs hun woningen deelden mee in het algemene ongenoegen dat was ontstaan rond de persoon van de belastingambtenaar. De meest gangbare term voor het huis van de chercher was in de wandeling een ‘sarrieshut’. Een dergelijke funktionaris woonde meestal in de directe nabijheid van de molen, met vanuit de ramen een ruime blik op alles wat er gebeurde bij het maalbedrijf. Alleen al het weten van de argusogen die vanuit de sarrieshut konden toekijken maakte het ontduiken van de belasting op het gemaal vrijwel onmogelijk.

De last op het malen van graan tot meel lag vrij hoog. Een mud tarwe vroeg zelfs 24 stuiver aan maalbelasting. Voor masteluin – een mengsel van tarwe en rogge – gold eenzelfde aantal stuivers aan lasten. Ging het om een mud rogge dan was 10 stuivers belasting een normale zaak. Granen tot veevoeder verwerkt werden iets minder hoog aangeslagen. Waar tegenover stond dat de sarrie daar een houten lepel vol zand doorheen roerde om het voor menselijke consumptie ongeschikt te maken. Soms ontstond de indruk dat sarrie, molenaar en broodbakker het op een verkeerde manier met elkaar eens waren, vandaar het wonderlijke verdichtsel: ‘de bakker, de muller en de sarrie, ’t is aaltmoal ain pakkelarrie’.

De belastinggaarder kon zich enigszins beschermd voelen door de boete van 100 Carolusguldens die was gesteld op het molesteren of overlast bezorgen van en aan zijn persoon. Verder werd van de molenaars en hun knechten, ter voorkoming van ontduiken van de zozeer verfoeide belasting, een eed gevorderd. Een niet geringe straf was het gevolg als men de afgelegde eed niet nakwam. Verbannen worden uit de streek van inwoning, zelfs lijfstraffen konden in voorkomende gevallen als vonnis worden uitgesproken.

Eedsafleggingen en niet graag betaalde betaalde belastingen veranderden niets aan de rondgang van de wieken op het molenbolwerk van Bourtange. In een variant op ‘en de boer hij ploegde voort’ kon hier gezegd worden ‘en de molen maalde voort’ ook toen op 21 mei 1655 een akte werd opgemaakt over verkoop van een zeker bouwwerk in Bourtange. Of die verkoop voortvloeide uit een gegeven van het voorgaande jaar? De Raad van State had in 1654 de molen voor 50 gulden ‘s jaars ingezet bij verpachting. Men kwam er van terug, niet alleen omdat de pachtsom toch wel erg laag werd gevonden. Men had ook geen tijd vrij kunnen maken om goede condities op te stellen over het aandeel van de pachter in de lasten van eventueel voorkomende reparaties. Hoe dat ook zij, de akte van 21 mei 1655 opgemaakt voor een te verkopen bouwwerk in Bourtange betreft de molen. Visiteurs van de Raad van State zetten de molen toen in op een bedrag van’tweeduijsendtvijfhonder’ gulden.

Er bleek ‘naer affslach’ een bedrag van vijftienhonderd gulden over, als koopsom voor de molen, die overging in bezit van iemand die tekende als ’Heere Robberts’ Daarna werd Hendrick van Munster hier molenaar, getuige een visitatierapport van 1657 in de vesting. Daaruit wordt duidelijk dat deze molenaar zich in zijn rechten getreden voelde door kwalijke praktijken. Hij wenste zeer nadrukkelijk ’dat geen Broot of meel van Vreemde heeren Boodems alhier mogt gebragt werden’ als daar niet een aan hem uit te betalen evenredig maalloon tegenover stond. Molenaar Hendrick van Munster boekte succes, niet zo heel lang na het uiten van zijn klachten werd een ‘plakkaat’ van kracht. Daarin was vastgelegd dat van elk ‘loopen van maelgeld’ – voor iedere schepel malen – twee stuivers extra moesten worden betaald als maalloon. Dat kon worden gezien als een boete voor het kopen en consumeren van Broot van Vreemde heeren Boodems. Het kwam ongeveer overeen met een verhoging van de broodprijs van twee duiten per ingevoerd brood.  Wanneer Nicolaes Sylverdinck de molen in bezit nam is niet meer na te gaan. Dat hij er de eigenaar van was wordt ons verteld in een stuk uit 1667 waarin commanandeur Amama een verzoek richt aan de Raad van State. Of hij ‘geauthoriseert’ mocht worden om de molen op het bolwerk ‘toebehoort hebbende den convooymeester Sylverdinck, in staet en ganckbaer te moagen houden tot dienst vant garnisoen, ende proffeijt daer afcoommende aende erfgenaemen te laeten volghen’.

Onder alle omstandigheden maalde de molen op het bolwerk voort. Ook toen de furie van de om zijn wandaden in een kwade reuk staande bisschopvan Münster het Groningland overviel. De vesting Bourtange werd als een eiland boven het water dat het moeras ‘overswom’ . Stuwen werden ingelatenen ‘seijlen’ geopend waardoor een mengsel van zout en zoet water tot voor de wallen van ‘de schans in het moeras’ golfde . Wie toen op het plateau boven de buitentrap van de molen stond , kon uitkijken over brakke zee. Binnen de wallen kon toen geen Broot van Vreemde heeren Boodems genuttigd worden, men moest de eigen voorraden aanspreken, waarbij ook hetopgeslagen meel . Toen de wereld zich weer voegde in een rustiger patroon was de molen inmiddels een jaartje ouder en begon gebreken te vertonen. In 1704 werd een vakman ontboden voor het plaatsen van een nieuwe as onder de volgende condities: ‘den as sa lanck swaer en gewerckt moeten weesen als den ouden Scheeven’. Mocht er bij het verwijderen van de oude scheef getrokken as en bij het inbrengen van het nieuwe exemplaar schade ontstaan aan de molen dan zou de veroorzaakte schade voor rekening van de aannemer zijn. Er werd een bestek voor het onderhoud aan de molen opgemaakt dat bepaalde zaken duidelijk vaststelde. De aannemer die zich tot het onderhoud verplichtte had zich op de roep van de molenaar naar het maalbedrijf te spoeden om de zaak ‘bequaem’ in gang te houden. ‘Maer met de touwen ende seijlen sal hij niet van doen hebben’ laat het bestek van onderhoud uit 1708 weten. Het was een regeling die in de daarop volgende jaren tot tevredenheid van belanghebbenden van kracht bleef.

In zijn hoedanigheid van ‘Richter des Lantschaps Westerwolde’, kreeg ‘Doctor Theodorus Cloppenborgh’ te doen met de molen. Hij verklaarde bij ‘opene en verseegelden koopbrieve’, dat bij hem was ‘verschenen’ .Walther Velthuis. Een man die het duitse Heede’als woonplaats had en “dewelcke bekende ende beleede’ dat hij aan Everwijn Jans Baalman die in Bourtange woonde de aldaar staande Wind-korenmolen had verkocht. Zelf had Velthuis de molen maar heel kort in bezit gehad. De molen ging in zijn eigendom over op 20 juni 1729 door aankoop van de Raad van State waarbij ontvanger Du Chesnoij, in opdracht handelde. Het lijkt een klein bedrag waarvoor Velthuis de molen overnam, slechts 100 carolusguldens zonder dat daar overigens de zeilen en de touwen bij behoorden. Zaken die toen in eigendom waren van Everwijn Jans Baalman die waarschijnlijk huurder was van de lantsmeulle. Ter voldoening van de 100 carolusguldens werd aan Velthuis een Quitantie aangeboden op een ‘bort gelegen’, hij voldeed correct aan de overeenkomst door een prompte betaling. Overigens behoorde Velthuis klaarblijkelijk tot het slag mensen dat met geld ook weer geld weet te maken. Toen hij op zijn beurt overging tot verkoop van de molen was het 2 januari 1730 en wist hij 250 carolusguldens als koopprijs te bedingen. Boven de ‘koopschatspenningen’ was een ‘veertigste penning’ te voldoen ter delging van de onkosten voor verzegeling. De transactie lijkt een zeer voordelige zaak te zijn geweest voor Walther Velthuis die voorts verklaarde dat ook Everwijn Baalman van een vlotte betaling hield.

De Raad van State ging slechts na rijp beraad over tot verkoop van de molen die te kostbaar in onderhoud werd. Verhuur zou nog geen 50 carolusguldens ‘s jaars opleveren, een bedrag dat in de verste verte niet toereikend zou zijn om onderhoudskosten te dekken. Publieke verkoop leek de oplossing voor het probleem, echter onder voorwaarde dat de eventuele koper de molen ten dienste van het garnizoen moest houden. Aldus besloten werd overgegaan tot de verkoop van een ‘seer bequaeme stander-Koorn-wintmeulle’ staande in de ’Forteresse’ Bourtange.

De verkoping zou ‘geschieden’ bij ‘ordinaire Guldens tot 20 stuver Brabands’. Voorts zou de molen van de hand gaan met alle ‘desselfs regten Geregtigheden, soo als daer vanouds toe hebben behoort’ en bij de huurders van de molen was genoten. Het is een genoegen de condities tot verkoop van deze molen te lezen, waar zaken worden gemeld als: ’Besonders hetgeene de huijders bevorens weegens maalgeld van alle hetgeene van buijten mogte worden ingevoert, hebben genooten off mogten genieten, ‘t Zij van meel Broodt, witte Broodt; stuijten of andersints, nae de proportie van hetgeene van een mudde moet worden betaalt, waervan de inbrengers den cooper sullen moeten voldoen, voor en aleer sij de ingebragte waaren aan de bank off elders presenteeren te verkoopen, waar op de cooper te allen tijden sal moagen vigileerenen het gemelte maalgeld vorderen’.

Er zijn 10 koopcondities opgemaakt voor deze molen, bepalingen waaraan Wolther Velthuis meende te kunnen voldoen toen hij overging tot aankoop. Een geêiste ‘suffisante borg’ voor de nodige 100 Carolusguldens vond hij in de persoon van Jan Tonnis uit Bourtange. De condities op ‘Fransijnen’ (=perkament) vereeuwigd, werden mede ondertekend door J. T. Schrader, als getuige. Alle voorgaande zaken in aanmerking genomen, is wel duidelijk dat er verwikkelingen genoeg waren met een onduidelijk antwoord. Eens toch was de molen, gekocht door Heere Robberts in ander dan ’s Lands eigendom overgegaan. Een periode die werd gevolgd door eigendomsrechten geclaimd door convooymeester Nicelaas Sylverdinck. Daarna, al is niet bekend wanneer, ging de molen weer op in de landseigendonmen. Met alle lasten en lusten vandien, daarna weer verpacht voor een veel te lage jaarlijkse pachtprijs gezien de kosten van onderhoud. Een periode van zorg voor de Raad van State, waaraan in 1729 een voorlopig einde kwam door de verkoop aan Walther Velthuis. Vijftien jaar nadien verkeerde ‘moolman’ Claas Maasse die dan eigenaar is van de molen in deerlijke financiële omstandigheden. Extra onderhoudskosten ’an sijn moolle’ deden hem een verzoek tot bijstand richten aan Gedeputeerde Staten. Met het gewenste gevolg, een tegemoetkoming in de kosten à 30 gulden werd zijn deel. Daarmee waren zijn zorgen evenwel niet van de baan, getuige het feit dat hij een half jaar later aanklopte bij de kerkeraad van Bourtange om financiële hulp. Hulp in de vorm van een lening tegen rente, die hem werd toegezegd ter grote van ‘veertigh Carolusguldens’ en waarbij de last voor hem nog groter werd. De lasten voor onderhoud en reparatie moeten welhaast niet op te brengen zijn geweest en is het daarom dat de molen weer werd opgenomen in de lijsten van Raad van State? Eigenaar noch huurder noch molenaar zijn bekend als in 1758 aan de molen een grote restauratie wordt uitgevoerd. Na anderhalve eeuw op het molenbastion werd de wiekendrager bijna geheel vernieuwd, Commandant Upmeijer had rapport uitgebracht aan de Raad van State van een niet mis te verstane inhoud. Dat de ’alhier sijnde wintercoornmoolle sodaenigh door onmagt en onvermoogen van den moolman’ ernstig in verval was geraakt, zodat den herstel volgens opgaeve eener desverstaene timmerbaes soude moeten castten eene somma van circa 565 guldens. Weshalve versogte hij hieromtrent eenighe ordre geliefd en te stellen tot ganckbaer houdde van meergemelde moolle … ‘alsoo het quarnisoen daeraen ten uiijtersten geleegen was soawel als de verder inwoonders deeser vesting’. Het rapport van commandant Upmeijer vermeldt niets teveel, de molen was in trieste staat en eiste inderdaad dringend herstel, waartoe werd overgegaan. Daarna werd de molen volgens een statenresolutie van 12 december 1758 ‘meede in ordinairen onderhoud gebragt’ en was de zaak weer als voorheen. Werd er weer een bestek van onderhoud gemaakt dat voorzag in reparaties uitgevoerd door een aannemer. Herstelwerkzaamheden waaronder ‘het digt houden van de kap en buijtenbecleedingh, heckken van de reedden, steenne pijlaers onder het kruijswerk en verdere kleijnigheedde’. Grote vernieuwingen als kruisbalken, schoren, tandwielen of in het andere geval het vervangen van de standerd, vielen niet onder de verplichtingen van de onderhoudsaannemer. Anderzijds was het verzorgen van de buitentrap, hettouwwerk, ’seijlen en derselver leijktouwen en de swigtleijen’ wel voor de aannemer.  Het legge van nieuwe stenen in een maalstoei werd twintig jaar later in overweging genomen. Men koos voor een nieuwe steer en verlegde de zaak. De oude ‘loper’ werd tot ligger verlaagd in dit onderhavige geval en een nieuwe loper graaide nadien in de maalstoel (1778), een steen die van ‘deugt, groote en dikte’ was. als ‘in de moole gevoeglijck geplaatstsal connen wierden’. Het werk moest worden geklaard door een’kundige persoon die naest velerlei ook het ‘billen (billen =  aanbrengen van de groeven in een molensteen) moest verstaan.  Door de molenaar op de wind gezet volgden de wieken elkaar in een nooit veranderde vlucht tot zich een volgend versleten onderdeel vertoonde. Dat was in 1783 een nieuwe Halssteen (Halssteen = waar de grote as in draait), die van de beste soort moest zijn, ‘sonder eenighe gebreecken, wel cantigh gehackt en precies naer de rondte der Asch uitgeholt en naer de kunst gelegt, tusschen de noodighe nieuwe keermantjes naer den eisch van sulck werck op den Windpeul bevestigt en daer ende booven, voor het uijtweijcken nog met eenen suffisante ijseren om den steen wel digt geslooten band’ enz.

Het contract voor de aannemer van dit werk laat nog een en ander weten over ‘ toevallen’ ontstaan door onvoorzichtigheid danwel onachtzaamheid tijdens de uitvoering van de restauratie. Vanzelfsprekend waren de kosten van de beschreven toevallen voor rekening van de aannemer die voor de som van ‘Veertigh guldens ineens’ het werk binnen veertien dagen moest opleveren. Op straffe van twee gulden ‘verbeurtenisse voor ieder dag nawerckens’. Boele Eggens nam het werk aan en bleef keurig binnen de gestelde tijd. Het Leverde hem veertig gulden aan bedongen ‘Loons penninghen’ op en zeer tevreden opdrachtgevers. Uit alles is wel duidelijk, dat als men overging tot herstelwerkzaamheden er goede materialen werden gebruikt. De onderhoudsaannemer ‘sal reparatien niet met stukken off  lappen mooghen doen, maer met geheelle plancken, zoortgeleijk den ouden en sal hij tot de seijls van de Roeden geen ander linnen moagen gebruijcken dan best Scheepsseijldoeck of soogenaemt kanefas ter voller lenghte en breedte van de hecklatte van de Roedde en sal hij deese zeilsalthoos wel sonder gaatten off reetten onderhouden’ (kanefas = van hennep vervaardigd linnen) ene dat gebruikt voor molenzeilen? Voor Harm Wolters, in 1789 huurder en molenaar van het maalbedrijf in Bourtange waren de tijdsomstandigheden minder gunstig te noemen. Toen het garnizoen in Bourtange van 2 Compagnieën verminderde naar een Detachement van slechts 18 Infanteristen, daalden zijn inkomsten navenant. Hij maakte per ‘request’, zijn zorgen openbaar bij de Raad van State. Alvorens het epistel ter bestemder plaatse was, stelde hij zijn schrijven in handen van ontvanger Buttinga, die zich met de verdere bezorging belastte. Het lijkt een omstandige werkwijze, maar molenaar Walters was waarschijnlijk door ervaring wijs geworden, tot deze manier van postbezorgen overgegaan. Hij had vier jaar tevoren al eens een brief van ongeveer gelijkluidende strekking ingediend. Daarin vervat zijn zorgen over het steeds kleiner wordende garnizoen, het hier nog steeds consumeren van ingevoerd brood, waardoor feitelijkheden als een jaarlijkse huur en weinig om te malen hem boven het hoofd dreigden te groeien. Omkleed met veel woorden was zijn verzoek toch uiterst eenvoudig, hij vroeg vermindering van huurprijs omdat hij de ‘Huijrpenninghen aan den Lande’ niet meer kon opbrengen. Of er enig soulaas kwam in de benarde financiële omstandigheden van deze molenaar wordt niet vermeld. Er moest in 1791 220 gulden neergeteld worden voor het leveren en plaatsen van een nieuwe ‘Roede in ‘s Landsmoollen’. Een jaar later weer nieuwe lasten door een restauratie aan de ‘Stonngeewel van ‘s Landscoornmoollen’ geraamde kosten ongeveer 100 guldens, het hield daarmee niet op, want ook ‘Trap en Staart’ behoefden vernieuwing voor een bedrag van 173 gulden. Van ongevallen met dodelijk afloop op de molen zijn geen aanwijzingen gevonden. Toch overkwam molenaar Eijlko Frericks een ernstig ongeluk in het begin van de 18e eeuw. De mulder viel in noodweer tijdens een razende storm van de molen. Zijnde door die val in ‘quaet weeder miseraabel int hooft geworden’ hield hij er blijvende invaliditeit aan over. Tengevolge waarvan hij zijn beroep niet meer kon uitoefenen en hij een verzoek indiende bij de Raad van State om een jaarsubsidie van 65 gulden. Molenaar Frericks wilde graag ‘sijn verschaoten gelt weder genieten’ zo stelt zijn brief. In het desbetreffende college had men zich nadien over een dubbel vraagstuk te buigen: wel of geen subsidie voor de molenaar en de molen opnieuw in huur zetten. Toen de 18e eeuw op zijn laatste benen liep werd in 1794 opnieuw een huurcontract opgemaakt voor de molen. Door tussenkomst van Mr. P. Hofstede verhuurde het toenmalige Departement van Financiën de molen aan H. J. van Hateren, uit Bourtange. De afwikkeling van zaken was voor van Hateren niet direct dicht bij huis te noemen, want als plaats van handeling was voor de Nieuwe of Lang-Ackerschans gekozen. Het kan aan de ‘Fransche Tijd’ in Nederland hebben gelegen maar de huurprijs lag voor van Hateren lager dan voor de collega’s die voor hem de molen bemaalden. Was dat voorheen een bedrag geweest van omtrent 50 gulden, met de nieuwe huurder in 1795 werd een somma van 40 gulden overeengekomen. Het was verder een overeenkomst die in de daarop volgende jaren stilzwijgend wordt gecontinueerd, zij het dat in de tussenliggende tijd zich weer een wijzing voordeed in de eigendomsrechten. De molen werd door het Departement van Financiën afgestoten en ging – in welk jaar bleef overigens tot nu toe onbekend – over in bezit van een zakenman uit Groningen. Jacob Mozes Cohen ‘gepatenteerd’ koopman en wonende aan de Grote Markt in ‘stad’ werd dusdoende de man aan wie Van Hateren de jaarlijkse huur voor de molen had te voldoen. Onveranderlijk stoer stond de nu toch al bejaarde walmolen op zijn grondvesten toen zich in 1813 een verandering afspiegelde. Jan van Hateren het huurder zijn moe, verschafte zich door koop het eigendom van het door wieken aangedreven bedrijf. Voor mr. Arnold Koning, keizerlijk notaris in het kanton Pekela en residerend in Bellingwolde kreeg de akte van verkoop zijn beslag. Voor een bedrag van 450 gulden werd Jan van Hateren eigenaar, nog net in de tijd dat de Nederlanden bij Frankrijk waren ingelijfd. Die omstandigheid was er de oorzaak van dat de notaris in de akte van verkoop vastlegde dat 450 gulden hetzelfde was als 945 Franse francs. Betaling van koopsom en de vastgestelde rente daarover van 5% per jaar moest volgens de akte worden gedaan in Groningen, de woonplaats van de verkoper. Er werd verder verwacht dat de betaling in gangbare ‘klinkende Hollandse munte’ geschiedde. Geld dat in ieder geval als wettig betaalmiddel gold in wat door de Franse Overheden was vastgesteld als het Departement van de Westereeros, waartoe ook het kanton Pekela werd gerekend. Bij verandering van de politieke koers moest de last worden voldaan in goed gangbare zilveren of gouden munten, ‘alles en altijd naar de koers van heden en nimmer noch in eenige deele in pampieren geld, assignatiën, bons, of onder welke benaming ook’. Na voorlezing van de akte werd Jan van Hateren op 4 October 1813 na ondertekening eigenaar van de molen binnen een toen al niet  meer van groot belang zijnde vesting Bourtange. Waar het leven voortgang vond als voorheen, ook toen het zich moest voegen in een rij van plaatsen op Westerwolde, samen vormend de gemeente Vlagtwedde. Als burgemeester van die gemeente liet de heer J.B. Hommes, aan de gouverneur van de provincie Groningen in 1827 o.a. het volgende weten: ‘voorts heb ik de eer U Exellentie te berigten dat in deze gemeente over 1826 door de Veldwagters en de hier gestationeerde Rijksambtenaren, de Surveilantie op het middel van het gemaal is waargenomen; wat de Sluikerijen, welke door de Molenaars magten zijn begaan betreft, hiervan zijn mij geene redenen bekent’. Mocht dit al zo zijn, voor molenaar Van Hateren in Bourtange werd het leven er niet eenvoudiger op. Nog altijd draaiden de wieken lustig in de wind die over de velden waaide en in de zeilen greep, maar nog steeds viel er veel te weinig te malen. Er waren voortekenen die wezen op het einde van de plaats als vesting. Het garnizoen werd steeds verder ingetrokken en steeds minder was de molen nodig om te malen ten dienste van het ‘Land‘, zoals in voorgaande tijden was vastgelegd. Graan breken als basis voor het daaglijks brood van de burgerij in Bourtange was ook al van weinig of geen betekenis. Een eigen broodbakkerij was er niet, brood uit de eigen oven thuis was zeer smakelijk maar vergde tijd en moeite. Het was alleszins gemakkelijker deze teerkost in te slaan bij bakkers uit Wedde of Vlagtwedde, die hier hun waren aan de man brachten. Met dit alles zag de molenaar zijn broodwinning in ernstig gevaar verkeren en was het voor hem een reden temeer om zo rond 1830 over verkoop van zaken te gaan denken. Er stak toch niets meer of minder dan een zware wind op toen hij met zijn voornemen naar buiten kwam, een stormpje waar zelfs burgemeester Hommes tegen op tornde, zij het ook tevergeefs. Hij zette zich naar aanleiding van des molenaars plannen weer tot het schrijven van een ‘missive’ aan de gouverneur. Een brief waarin hij laat weten dat naar zijn mening een bakkerij in Bourtange al veel zou kunnen bijdragen tot verandering in het dreigende verdwijnen van de molen. Dat verdwijnen was verder een kwalijke zaak voor de landbouwers in het oude fort, die zich met noeste vlijt hadden toegelegd op een goed reilen en zeilen van hun bedrijven. Waar ook graan werd verbouwd ter ‘voeding en mesting’ van hun vee en dat was tenslotte ook graan dat gemalen moest worden. Zou nu de molen uit Bourtange verdwijnen dan betekende dat voor de boeren nagenoeg anderhalf uur ‘om hun koren ter molen te varen’. Heel de gang van zaken verontrustte de landbouwers zeer, maar ook de bemoeienissen van des burgemeesters kant hadden niet het gewenste resultaat. Molenaar Van Hateren zette zijn voornemen om in een daadstelling door op 15 october 1831 zijn molen te verkopen aan Freerk Maarsing een landbouwer uit Ter Haar. Daarmee verdween een eeuwenoude blikvanger uit Bourtange en begon de reis van de standerdmolen over de zanderige wegen van Westerwolde naar zijn nieuwe standplaats op de wijde velden bij Ter Haar.

(afbeelding akte van verkoop)

De akte van deze verkoop vertelt in vrij eenvoudige bewoordingen het feit van de overdracht. Voor 750 guldenvrij geld kocht Freerk Maarsing de molen en alles wat er bij hoorde.Met geen ander doel dan een overbrenginng naar Ter Haar voor een herbouw als koren- en pelmolen. Maarsing werd hierin enigszins gedwarsboomd door Geert Jans Hoiting, die op ongeveer dezelfde standplaats als Freerk Maarsing, een molen in gedachte had. Bij nader inzien bleek het van Hoiting meer een gedachte dan een vastomlijnd plan te zijn geweest en werd Freerk Maarsing door het gemeentebestuur van Vlagtwedde toestemming verleend tot het opbouwen van een gecombineerd rogge-pelmolen in de buurtschap Ter Haar. De combinatie koren- pelmolen, is in de provincie Groningen geen obekende bedrijvigheid geweest. Gerst als basis voor het pellen werd vooral in de kleistreken verbouwd, maar groeide ook in Westerwolde. Het gepelde product ‘gort’ vormde in vroegere tijd een belangrijk onderdeel van het voedselpakket. Zowel als hoofdmaaltijd of verwerkt in karnemelkse pap die als nagerecht werd opgediend. En wat zou in deze moderne tijd ‘krintjebrij’ zijn zonder gort.

De stenen liggen in een z.g. ‘pelkuip’ bekleed met blik en enigszins te vergelijken met een grote rasp. Wordt bij het malen van koren altijd gesproken van de ‘loper en de Ligger’ als het over de stenen gaat bij het pellen van gerst heeft men het over ‘pelsteen en doodbed’ als overeenkomstige benamingen. Doodbed en pelsteen zijn uit zandsteen vervaardigd en de kwaliteit van de zandsteen is van groot belang voor het pellen. In een goede pelsteen verwacht men ‘Zilver’ wat in het gebruik wil zeggen dat op het breukvlak van een stukje afgeslagen steen glinsterende deeltjes moeten zitten. Stenen zonder deze glinstering worden zwart aan de omtrek een gegeven dat zeker de kleur van de gort niet ten goede komt. Pellen betekende voor mulder en molen zwaar werk waar een aanzienlijke windsterkte voor nodig was en is. In molentaal spreekt men van een ‘slingerwind’ als de windkracht zo is dat men het malen in overweging kan nemen. Onder een ‘maalwindje’ wordt voldoende kracht voor gewoon malen verstaan, voor pellen moet minstens windkracht zes over de wereld blazen. Met als logisch gevolg dat bij een dergelijke windsterkte het gewone malen ondergeschikt werd aan het pellen. Men ging weer over tot gewoon malen als de wind te veel afzwakte voor verder pellen. Het omgekeerde behoorde eveneens tot de mogelijkheden, een dag die was begonnen met een gewone maalwind kon in de loop van de daarop volgende uren zeker bij een standerdmolen overgaan in krakend kreunen bij windkracht zes, als de pelsteen aan het zware werk begon. De gerst wordt in windmolens waar nog gepelt kan worden op de steen gelaten die door de draaiing over het doodbed de gerst naar buiten slingert waar het tussen steen en pelblik zakt. Er ontstaat een schurende werking waardoor de gerst van zijn vlies wordt ontdaan. Het pellen van gerst vereist vakmanschap en superlatieven als ‘kerelswerk’ en ‘spectaculair’ zijn hier niet overdreven. De ‘kammen brommen door de staven, het suist de mulder om de oren en de wieken huilen door de lucht’, zo werd het eens omschreven. Onnodig te zeggen dat alleen de sterkste molens en de beste molenaars geschikt waren voor het pelwerk. Zo begon voor de bejaarde walmolen uit de vesting Bourtange een nieuw tijdperk op de ruime velden van Ter Haar. Een mooie streek onder de rook van het dorp Sellingen. Ook hier volgden de wieken elkaar als de vangketting werd losgegooid en de molen in de wind gezet. Werk was er voor de molenaar bij dag en bij nacht. Wind als energiebron waaide om niet maar kon nooit of te nimmer op eigen gezette tijden besteld worden. Waaide er een gunstige maalwind dan moest er gebruik van worden gemaakt, of dat nu was bij stralende zonneschijn dan wel in het holst van de nacht. ‘s Nachts werd gewerkt bij een zuinig licht van kaars of olielamp, hier alom bekend staand als het ‘Schienvat’. Misschien wijdde een late passant romantische gedachten aan het spaarzame licht uit de molen, maar de molenaars hadden voor het malen in de nacht geen goed woord over. Zij beschouwden het malen bij nacht en ontij als niets anders dan een uitvinding van de duivel. Veel plezieriger werd het werken overdag gevonden waaruit een molengezegde voortkwam, dat het molenaarsleven een door God geschonken leven was. Viel de molen door gebrek aan voldoende wind gedwongen stil, dan bleef er genoeg te doen aan onderhoud. Teerkwast en bilhamers zijn vaak ter hand genomen gereedschappen geweest op molens, zodat ook in het leven van een molenaar niet alles als rozengeur en maneschijn omschreven kan worden.

Van al deze omstandigheden zal ook Asse Neijboer hebben geweten toen hij zich als molenaar vestigde op het huisnummer 313 in Ter Haar. Hij aanschouwde het levenslicht in het Overijsselse Hardenberg op 11 augustus 1807. Zijn pad werd op een bepaald moment op aangename wijze gekruist door de vier jaar jongere Gesina Veldhuis. Samen bewandelden ze daarna het levenspad en zorgden voor drie nakomelingen. Aangevuld met een inwonende ‘dienstmaagd’ herbergde het huis 313 in Ter Haar alzo zes bewoners. De tijd schrijdt immer voort, na Neijboer kwam een andere molenaar naar de vruchtbare buurtschap. Vruchtbaar in meer dan één opzicht, want de in het Duitse Dankeren geboren Johan Deiman bracht samen met zijn vrouw Anna Hake zes kinderen voort. Johan Deiman drukte een wezenlijk stempel op de buurt. In Westerwolde spreekt men nog van de ‘Deimansmolen’ als het gaat over de molen van Ter Haar. In Westerbork geboren, verhuisde Hendrik Hoekman in de loop van de tijd naar Nieuweschans en van daaruit naar Bourtange. Met de twintig jaar jongere Geersien Wepel aan zijn zijde waren zij een molenaarsechtpaar dat in Ter Haar het bedrijf runde. De molen viel op bij ieder die langs kwam en wekte verbazing en verwondering bij bezoekers uit het westen. Wonderlijk genoeg verdwaalden hier in voorbijgegane tijden toeristen uit de verte. Tot grote verbijstering van de Westerwolders, die zich in de verste verte niet konden voorstellen wat men aan vakantiegeneugten kwam zoeken in dit afgelegen gebied. Prompt kwam dan ook de altijd latente humor boven toen een paar bezoekers zich afvroegen wat men toch met zo’n molen deed. Een bouwwerk zo maar op de velden en niet in een omgeving waar veel mensen woonden. Waarop de voorlichting aan de bezoekers aldus werd gegeven: De molen stond buiten ter vergemakkelijking van het vervoer naar boerderijen waar de oogst van de velden klaar lag om gemalen te worden. Als grote technische bijzonderheid werd er bij verteld, dat wanneer nodig wielen onder de molen werden gemonteerd om zo een snel vervoer naar de gewenste plaats te kunnen waarborgen. Het verhaal schijnt grif geloofd te zijn door lieden die hun hoofden schudden over zoveel vaardigheden en kennis. Ondanks alle molenaars die kwamen en gingen bleef de molen lang het eigendom van de familie Maarsing. Dat blijkt uit een notarieel stuk van 1909. Daarin is sprake van zes heren uit Sellingen en directe omgeving die samen het bestuur uitmaakten van de Gereformeerde gemeente te Sellingen. Samen vertegenwoordigden de heren deze kerkelijke gemeente ter eenre zijde en de heer Geert Boels, landbouwer uit Ter Haar de andere zijde, bij een opmerkelijke aangelegenheid. De vertegenwoordigers van de Gereformeerde gemeente verkochten hierbij aan Geert Boels het gelegateerde vruchtgebruik van onroerende goederen in Ter Haar nabij de standerdmolen. Dat vruchtgebruik was de Gereformeerde gemeente toegevallen bij testamentair besluit van Hendrik Geerts Maarsing uit Ter Haar. Hij bezat bij zijn leven grote eigendarmten waaronder ook de standerdmolen waarop in 1909 Aalsen Boonstra als molenaar de kost verdiende. Enig erfgenaam van de nalatenschap was Geert Boels, een man die de clausule ‘vruchtgebruik aan de Gereformeerde gemeente’ ongedaan maakte door een afkoopsom. De officiële akte van deze toch niet alledaagse gebeurtenis, passeerde voor notaris Engwirda te Stadskanaal in het jaar 1909. Dat de molen op een ondergrond van vier are en vijf en zestig centiare stond, wordt duidelijk uit een volgende akte van verkoop. Op 8 augustus 1922 verklaarde Geert Boels voor notaris Jan Kops in Sellingen een verkoop van bezittingen waarbij ook de molen die nu al weer bijna honderd jaar in Ter Haar het landschapsbeeld mee bepaalde. Voor een niet vermelde prijs werd Klaas Geers uit Roswinkel toen eigenaar van het maalbedrijf. Tussen de bedrijven door was de in Oberlangen (Duitsland) geboren Hermann Heinrich Ludden de zoveelste molenaar van Ter Haar geworden. Samen met zijn vrouw Anna voerde hij het ouderschap over een grote kinderschaar. Het molenhuis kreeg iets weg van een bijenkorf waar zoon Hermann Johan in 1893 de gelederen was komen versterken. Hij drukte de voetsporen van zijn vader door in de loop van de tijd ook molenaar te worden op dezelfde molen. Hermann Johan maakte in die hoedanigheid de verkoop van 1922 mee en luisterde verder naar verhalen rond zijn molen geweven. Verhalen als zou de standerd in 1665 in Duitsland zijn gebouwd, een verhaal waarin een correctie werd aangebracht waaruit moest blijken dat het bouwwerk toch nog eerbiedwaardiger was dan men al had gedacht. Volgens het laatste bericht dateerde de molen van 1650 en zou vanuit het naburige Emsland naar Bourtange zijn verplaatst. Verhalen die gevoeglijk naar het rijk der fabelen konden worden verwezen. Hermann Johan Ludden zal meer en andere zorgen in gedachten hebben gehad toen zich in 1925 een dreigende sloop van de molen aandiende. De dreigende wolken boven het hoofd van huurder /mo 1 en aar Ludden trokken over en als voorheen telde hij de jaarpacht van 250gulden neer tot de tijd van de meest moeilijke economische omstandigheden ons land gingen teisteren. In 1933 verdween molenaar Ludden van de molen om plaats te maken voor een nieuwe huurder. Was dat al een verandering op de molen zelf, de wisseling bracht ook voor eigenaar Geers uit Roswinkel een en ander mee. Zijn nieuwe huurder/molenaar G. Wever, betaalde een veel lagere pachtprijs, een reden voor hem om te informeren naar financiële steun bij de toen nog heel jonge vereniging ‘De Hollandse Molen’. Tegelijkertijd werd er correspondentie gevoerd van een andere kant, ‘Meester’ Wester, uit Ter Apel trok zich het lot van de molen zodanig aan dat hij vier jaar lang per brief van gedachten wisselde met het bestuur van De Hollandse Molen over het behoud van de bijzondere wiekendrager in het veld bij Ter Haar (1935/39). Nauwelijks een jaar voor het uitbreken van ‘Wereldoorlog II , kwam in Nederland een nieuwe vaststelling van de monumentenverordening. Een gegeven dat B. en W. van de gemeente Vlagtwedde het besluit liet nemen de molen van Ter Haar in augustus 1939 op de monumentenlijst te plaatsen. Zou de koperen haan die als windvaan de oude molen sierde na deze bevordering meer hebben staan glanzen in de zon? Het is niet bekend, wel dat het eigenaar Geers in Roswinkel minder voor de wind ging. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Assen werd Geers wegens hypothecaire schulden in staat van faillissement verklaard en kreeg een curator toegewezen. Direct gevolg van een en ander was een publieke verkoop waarbij de molen weer in overheidsbezit overging. De stad Groningen werd op 20 september 1939 eigenaresse van molen en molenhuis. Na veel wederwaardigheden was de molen weer net zo ver als in het begin, met als enig verschil, dat nu niet gesproken kon worden van de ‘Landsoverheid’ als bezithebber, maar een stedelijke overheid de rechten van bezit liet gelden.

Kort daarna werd ons goede land overvallen door een systeem dat geloofde in de waanzin van de ‘Übermensch’ en dreunende cadans van soldatenlaarzen onder bloedrode ‘Fahnen’. Een lange nacht vol verschrikkingen maar waarin het gewone alledaagse na een eerste verdovende schok toch weer een, zij het wankel evenwicht hernam. Dat gold ook voor het maalbedrijf in Ter Haar waar in 1943 door molenbouwer Bremer uit Adorp in opdracht herstelwerk werd uitgevoerd. Een nieuwe houten as werd nodig geacht en geplaatst en bracht het vreemde van de tijd toen mee dat tegelijk een houten en een ijzeren roede (beide zelfs met stroomlijn) werden ingestoken. Zeker een wonderlijk gegeven maar bovendien een getuigenis van het feit dat ook in die donkere jaren de molen aandacht en zorg had. Zorg en aandacht die beloond werden door een ‘certificaat van verdiensten’ uitgereikt door de vereniging De Hollandse Molen, aan de gemeente Groningen. In de brief die het stadsbestuur naar aanleiding van deze onderscheiding en waar als datum 5 april 1946 boven staat ontving, spreekt het bestuur van de vereniging de wens uit, dat het toegedachte certificaat werd opgehangen in het kantoor van de Stadsbezittingen. Naast zoele zomerwinden kent ons land stormen van orkaanachtig gehalte. Een dergelijke stormwind loeide in maart 1947 vanuit het westen over en trof met rampzalige gevolgen de molen, die met de kop uit de wind stond. Was de molen kort voordien nog in het werk gezet dat er zo in wiekenstand overbleef? Het is toch gebruikelijk bij lange stilstand de molen op het zuidwesten te zetten, de richting van waaruit men hier doorgaans stormen verwacht. Hoe dat ook zij, de stand van de roeden werd in maart 1947 de molen fataal. De askop bezweek onder een geweldige winddruk van achteren waarbij de naar boven staande roede ongewild als een hefboom ging werken, askop en roeden sloegen naar beneden en lieten de molen vleugelarm staan. Na deze calamiteit kwamen bij een onderzoek onvolkomenheden aan het licht. Het eerst bij de as waarvan het gebruikte hout hard en taai maar ook recht van draad moet zijn. Hier bleek de as te zijn gemaakt van hout dat beter gebruikt had kunnen worden voor de fabricage van alledaagse voorwerpen als keukenstoelen. Broos en zonder weerstand, totaal ongeschikt van structuur was het hier gebruikte materiaal dat wordt omschreven als ‘een stuk hout’. Verder werd uit het onderzoek duidelijk dat de in 1942 aangebrachte ‘roeden met stroomlijn’ niet geschikt waren voor een standerdmolen. Alleen het oude model roeden is voor deze molens goed en zijn tegelijkertijd historisch verantwoord’ zo werd door een technisch adviseur in 1947 vastgesteld. De kostenberaming voor herstel van de stormschade werd in 1952 ingediend door molenbouwer Bremer uit Adorp en laat een bedrag zien van 5.245 gulden. Het loog er niet om, maar als voorheen stond de molen daarna weer op zijn dragende schoren en keek uit over de velden. Toch sloeg de wind steeds minder in de zeilen, niet door een verandering in natuurverschijnselen, wel door verschuivingen op economisch gebied. Molenaar Wever liet in 1961 weten dat hij al ongeveer een half jaar niet meer had gemalen. Daar waren wat oorzaken voor aan te wijzen; rogge malen voor het smakelijke Westerwoldse roggebrood was niet meer nodig omdat daarin bedreven bakkers dit niet meer zelf in eigen bedrijf bakten maar een fabrieksmatig produkt in de verkoop namen. Daarnaast werd ook het malen voor veevoer steeds meer bijzaak omdat mengvoeders hun intrede deden in de wereld der veehouderij. De wieken van de molen vielen onder al deze gegevens voor het grootste deel van de tijd stil. Wachten op een gunstige maalwind was er niet meer bij, er was alleen wind nodig voor de uren waarop molenaar Wever volgens afspraak met de gemeente Groningen de molen nog zou laten draaien. Langzaam aan schoof de unieke molen daarna onze befaamde papierwereld binnen. Het ‘hoe nu verder’ werd voor het overgrote deel een zaak van rapporten. Zo b.v. een rapport van de Provinciale Groninger Molencommissie aan B en W van de gemeente Groningen. Het gaat hier om bevindingen van de technische molencommissie in een brief gedateerd op 6 februari 1962 met twee kostenramingen. Een eerste voor volledig herstel van de molen met de volgende opsomming:

  1. Nieuwe azijnhouten kammen in het bovenwiel, 100 stuks plus werkloon –  1.000 gulden;
  2. Vang herstellen – 50 gulden
  3. Bliksembeveiliging wijzigen – 500 gulden
  4. Nieuwe watervast verlijmde roed –  2.500 gulden
  5. Nazien kleedhout en teerwerk – 400 gulden
  6. Verfwerk – 300 gulden
  7. Onvoorzien – 250 gulden

Totaal 5.000 gulden

Dan een kostenraming voor herstel als monument, waar toch ook nog een bedrag van 1.600 gulden mee gemoeid zou zijn. Verder een aanwijzing voor de gemeente Groningen waar en bij welke instanties in geval van herstelplannen een aanvraag om subsidies ingediend kan worden. De opmerking dat de molen als een unicum in onze provincie beschouwd kon worden werd door de molencommissie op zijn plaats gevonden evenals de toelichting dat in geval van volledig herstel ook bij het Prins Bernhardfonds een subsidie in de kosten van restauratie kon worden aangevraagd. Verder werd een afrastering tegen wat wordt genoemd kwaadwilligheid van groot belang geacht. Het schrijven gaat vergezeld van gegevens als: de oudste windkorenmolens in de provincie Groningen waren standerdmolens. Toen Gedeputeerde Staten van Groningen bij een resolutie van 12-08-1628, het besluit namen dat bepaalde windmolens moesten verdwijnen dan wel verplaatst naar elders kon nog niet anders dan van standerdmolens of zoals toen gebruikelijk van standerdroggermolens worden gesproken. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat er in onze provincie nog een exemplaar van het noordelijke type standerdmolen is overgebleven, een vorm die afwijkt van de overige standerdmolens in ons land. In regelmatig tempo stijgt dan de stapel papieren met als inhoud en onderwerp de molen van Ter Haar met als uiteindelijk resultaat eind 1962 een opdracht aan molenbouwer Bremer tot volledig herstel voor een bedrag van rond de 5000 gulden. Het zou anders gaan, de firma Bremer liep vast op een nieuwe kostenberekerting die maar liefst 1575 gulden hoger lag dan het aanvankelijk geraamde bedrag van 5000 gulden. Er werd nu in juli 1963 ook gesproken van een nieuwe kruisbalk en vier nieuwe schoren, een nieuwe staart en nieuwe maalstenen bij deze nieuwe berekening. Dat was het dan, want voorlopig gebeurde er niets anders dan dat molenaar Wever in de week van 21-26 februari 1966 nog eens graan onder de stenen door liet gaan. Niet tot volle tevredenheid van de molenaar overigens, die liet weten dat het inwendige van de molen lang niet in orde was. Waarop de gemeente Groningen probeerde dit euvel te verhelpen zoals een volgende brief duidelijk maakt. Er wordt overigens niet uit de doeken gedaan hoe men het euvel denkt te verhelpen. De technisch adviseur van de Groninger Molencommissie was in juni 1966 de mening toegedaan dat voor het behoud van de molen in ieder geval een nieuwe kapbekleding vereist was en de komst van een schilder voor een dekkende verf- en teerlaag was zelfs urgent volgens dit rapport. De tijd schreed voort en bijna gelijke tred daarmee hield de papierstroom rond de molen, waar nog steeds niet zo bar veel aan onderhoud te bespeuren viel. Het in de was zetten van de kammen, schoonmaken van het bouwwerk en een deur die niet helemaal naar behoren werkte waren te verwaarlozen werkzaamheden, toen in 1967 nieuwe maalstenen ter vervanging van de oude nodig werden bevonden. Reijer Rutgers, een firma die zich bezig hield met het vervaardigen van ‘Kunstmatige Molenstenen‘ deed de gemeente Groningen vlak voor de kerstdagen van 1967 prijsopgaaf. Waaruit blijkt dat een koppel molenstenen geleverd kon worden met een diameter van 140 centimeter, voorzien van een afmaalbare laag op iedere steen van 7,5 cm links en waarbij sprake is van een zachte uitslag. Van de ‘Loper‘ valt verder nog te vertellen dat op een dikte van ca 35 cm gerekend kon worden, dat er vier kraangaten zouden zijn, een scherpsel van 15 x 4 panden, de loper die gevlakt en gescherpt, voorzien was van ijzeren banden zou samen met de onderliggende steen ‘ de ligger‘ die iets anders van dikte was voor een prijs van f 800,– geleverd kunnen worden. Men zal in achter ons liggende eeuwen waarschijnlijk zelfs nooit het woord ‘kunstmatig‘ hebben gebruikt als het over molenstenen ging. De maalstenen kwamen in vervlogen tijden uit vulkanische streken van Frankrijk en Duitsland. Het gebruikte materiaal van een lava-achtige samenstelling was poreus en gaf een goed snijdend vermogen. Moesten de stenen worden gebild (= het scherpen van de groeven, een zeer speciaal vakwerk) dan werd de bovensteen gelicht, een niet zo eenvoudige bezigheid in een meestal nauw bemeten werkruimte. Daarna werden de raampjes op de maalzolder afgedicht om slagschaduwen te voorkomen die het ‘billen’ zouden kunnen bemoeilijken. Bij een spaarzaam olielampje werden daarna de bilhamers gehanteerd. Speciaal gereedschap dat aan beide slagzijden als beitels is uitgevoerd. Het werk was lastig en langdurig en door een bepaalde stand van de wieken gaf de molenaar dan te kennen dat de stenen waren gelicht en er tijdelijk niet gemalen kon worden. Na rijp beraad werden een jaar na de prijsopgaaf van Rutgers in de molen van Ter Haar nieuwe maalstenen geplaatst. In zoverre was de Groninger Molencommissie weer enigszins gerustgesteld. Tegelijk met het goede bericht over de nieuwe maalstenen kwam bij de commissie het verzoek binnen of er in verband met onderhoudssubsidie van Rijk en Provincie voor 1969 nog wensen waren voor verdere voorzieningen aan de molen. Het leek een kerstgeschenk voor de Groninger Molencommissie, want deze vraag over onderhoudsvoorzieningen kwam binnen op 20 december 1968. Het duurde toch nog weer ruim een jaar, voor er bij molenbouwer Bremer in Adorp een verzoek om prijsopgaaf voor de molen bij Ter Haar tussen de poststukken werd gevonden. Boven aan deze brief stond als datum 17 februari 1970 en de directeur van het Bos- en Landbouwbedrijf van de gemeente Groningen wilde hierbij weten hoe hoog de kosten lagen voor vernieuwing van de staartbalk en de trap, Volgens een van te voren gemaakte afspraak zou het bosbedrijf de levering van het benodigde hout verzorgen voor een totaal van 541,70 gulden, waarop de firma Bremer al heel snel liet weten dat de totale begroting voor een nieuwe staart en trap ruim 4.239 gulden zou zijn. Dat alles stond duidelijk zwart op wit maar de uitvoering van de vernieuwingen zou nog lang op zich laten wachten, volgens een aantekening met potlood in een brief van oktober 1970 pas over twee jaar, een gegeven, later weer teruggebracht tot één jaar. Het bleef sukkelen want waar waren die nieuwe trap en de nieuwe staart toen de firma Bremer in september 1972 een prijsopgaaf deed voor een nieuwe roede aan de molen die 6.723 gulden moest kosten. De firma zag de opdracht door de gemeente Groningen ten dezen gaarne tegemoet. Dat was één, een menselijke berekening die nooit opweegt tegen berekeningen door de natuur zelf gemaakt. Op 12 november 1972 stond boven Nederland een storm die de aanduiding orkaankracht ruimschoots verdiende. De oude standerdmolen boog door onder het razende geweld van de wind en liep grote schade op. In een weer stil gevallen wereld stond toen een molen waar voor f 28.000,– schade aangewezen kon worden. Inspectie van de Rijksdienst Monumentenzorg leverde dat rekensommetje op. Vier maanden na de grote storm stond men voor een nieuw gezichtspunt; een deerlijk gehavende kapitale molen die, wilde het goed zijn aan algeheel herstel naast de schadepost nog 17.000 gulden extra zou gaan kosten. Er bestaat een keurige lijst van alles wat er moest gebeuren om de molen weer een goed aanzien te geven en voor molenfanaten onder ons volgt hier de opsomming: Het wiekenkruis, de buitenroe strijken, buitenroe maken van Amerikaans grenenhout, stelpost, binnenroe maken van Amerikaans grenenhout, stelpost, kropzwaarte 30 x 31 cm, lang 17.60 meter, 2 roeden steken, opsluiten met droge eikenhouten wiggen – keerklossen, wiggen borgen met ‘woutermannen’, de stroppen rond de assekop aantrekken, roeden ophekken met Amerikaans grenen hekken en zoomlat ten volgens oud model, zeilroede met voorzomen en windborden. De vang en het gaande werk, 2 vangstukken vernieuwen uit wilgen of populierenhout (22 cm breed, 2.20 m lang}, de vang zuiver afstellen, bovenwiel, de kammen in het aswiel en de staven van de steenschijf controleren, zonodig inboeten of geheel vernieuwen, stelpost, de dammen voor de luierij op de bovenas vernieuwen in palmhout, het gangwerk met inbegrip van het luiwerk goed afstellen. Diversen: 2 planken van het voorschild vernieuwen in grenenhout {zw. 3 x 28 cm, 3.30 m lang}, verf- en teerwerk aan wiekenkruis, assekop en voorschild, stelpost, contra leren, repareren of zonodig vernieuwen van de bliksembeveiigingsinstallatie, smidswerk, klein ijzerwerk, krammerijen, enz., stelpost, transportkosten, gebruik van zwaar meteriaal verz. enz., reis- en verblijfkosten molenmakers, 15% winst op materiaal – 16% B.T.W. Dat alles betrof de begroting van de stormschade tot een bedrag van 28.000 gulden. De lijst vermeldt verder: Het staartwerk, de staartbalk vernieuwen ca. 8.50 meter, de staartbalk moet uit een krom gegroeide boom van goed model gekapt zijn, 16 traptreden in oplopende lengte, de kortste 1.10 meter, de langste 2.10 meter, houtzwaarte traptreden 5 x 20 cm, trapleuning vernieuwen houtzwaarte 4 x 7 cm, lengte 9 meter, 2 staanders zw. 4 x 7 cm, lengte ca 1,5 meter, het slofstuk vernieuwen zw. 9 x 34 cm, lengte 1.60 meter, 12 kruipalen aanbrengen volgens een nog nader te bepalen model, gedacht wordt aan ronde stammen van ca. 23 cm met een ca. 4 cm diepe incrossing voor de kop. De bovenkant diamantvormig afgewerkt in 4 vlakken, waarbij de hoogte van de punt ca. 8 cm wordt. Het bovenwiel: in het bovenwiel 4 kruisarmen vernieuwen van goed droog eikenhout gemaakt, houtzwaarte 20 x 32 cm, lengte 2.90 meter. Hoewel in ons goede land storm tot de meest bekende natuurverschijnselen kan worden gerekend had men toch verzuimd de moleen tegen stormschade te laten verzekeren. Daar werd nog even op gewezen toen in de zomer van 1973 van het Ministerie van C.R.M. Rijksdienst Monumentenzorg toestemming werd gegeven voor herstel. De toewijzing van een Rijkssubsidie groot 11.200gulden was een verheugend bericht, maar betekende in feite de befaamde druppel op een gloeiende plaat bezien in het licht van de enorme schade. De mededeling werd afgerond met het bericht dat de Rijkssubsidie in 1973 betaalbaar zou worden gesteld. Wat nou ook weer niet betekende dat meteen uitbetaling zou volgen, in 1976 vragen B. en W. van de gemeente Groningen om spoed bij het overmaken van het toegezegde bedrag. De papierberg aan rapporten die alle betrekking hebben op de standerdmolen steeg, maar daarbij ook gunstige mededelingen over subsidies van andere zijde en in 1975 werd het herstel ter hand genomen volgens een kleine aantekening. Dan en waarschijnlijk niet verwacht, andere correspondentie.

Het jaar 1976 was nauwelijks begonnen toen bij B en W van de gemeente Groningen een brief binnenkwam van de Stichting Vesting Bourtange. Daar waar de standerdmolen in 1832 zo’n lege plaats achterliet wordt nu een groot en groots werk verricht. Daar herrijst de glorie van de eens zo sterke vesting in gereconstrueerde bastions en courtines, grachten en kapitale bruggen. Weliswaar genoodzaakt door moeilijke economische omstandigheden ging de gemeente Vlagtwedde over tot die reconstructie, maar toch en wat zou mooier zijn dan nu ook maar die oude standerdmolen terug halen naar waar hij eens stond? Men had graag de mening van B. en W. van de gemeente Groningen over deze gedachtengang. Men was daar niet onverdeeld gelukkig met de vraag uit Bourtange. Financieel was het zeer aantrekkelijk en zeker de moeite van het overwegen waard. Het zou een heel stuk zorg wegnemen als Bourtange de molen overnam. Er waren toch ook andere overwegingen die aandacht verdienden, de molen was in bijna 150 jaar zo ongeveer vergroeid met de grond waarop hij in 1832 werd neergezet. Hij zou daar als uniek object in de omgeving maar heel moeilijk gemist kunnen worden. De Rijksdienst Monumentenzorg ging zelfs zover te stellen dat uit oogpunt van monumentenzorg het de voorkeur verdiende de molen in Ter Haar te laten staan. De Groninger Molencommissie voerde twee bedenkingen aan: landschappelijk bezien wilde men daar de molen op zijn huidige standplaats handhaven en niet terug laten brengen naar zijn vroegere thuishaven Bourtange. Bovendien zag men daar veel technische bezwaren aan de uitvoerbaarheid van overplaatsing. Gevolg van een en ander was dat Bourtange een gloednieuwe standerdmolen bouwde die een in alle onderdelen getrouwe kopie is van de standerdmolen in Ter Haar en als vanouds een schitterende blikvanger op de wallen. In Ter Haar ging het leven verder en de molen bijna ter ziele. Er was in 1980 grote onrust bi j de Groninger Molencommissie over de zorgelijke toestand van de staartbalk die weinig steun meer bood aan het molenhuis. Waaruit weer blijkt dat het herstel van de stormschade uit 1972 maar heel sumier was uitgevoerd. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd maar misschien stond de molen toch te ver uit het zicht van de Groninger stadsbestuurders om er zich zoveel zorgen over te maken als men deed bij de Groninger Molencommissie. Voor de zoveelste keer werd de Stedelijke Overheid gewezen op bronnen die aangeboord konden worden om tot restauratie te komen. Bronnen die gezamenlijk een subsidiebedrag konden vormen tot 90% van de totale kosten. Doof zal men op het stadskantoor niet zijn geweest, maar veel zichtbare bemoeienissen werden desondanks niet waargenomen bij de molen. Optimistisch gestemde lieden onder de molenliefhebbers zullen misschien toch een lichtpuntje hebben gezien in het verschijnen van Monumentenzorg bij de oude standerd. In de meimaand van 1981 werd het bouwwerk weer eens aan een grondige inspectie onderworpen en waar immer wordt aangenomen dat in mei alle vogels zingen en eieren leggen, zal hun gezang in de bomen rondom het inspectiewerk welluidend hebben begeleid. Het rapport dat daarna werd ingeleverd bij het stadsbestuur in Groningen was allerminst welluidend. Het was een kostenbegroting van de firma Bremer molenmaker en aannemer Dunning, vergezeld van een begeleidend schrijven van Monumentenzorg en Groninger Molencommissie, met niet mis te verstane bedragen: staartwerk, trap, kruipalen, enz. gaande werk, koppel ‘16der’ stenen, nieuwe kuip, enz. vangrad repareren luiwerk in orde maken waterkraag op de kop van de as vernieuwen 4 kruisarmen vernieuwen in het bovenwiel raamwerk bovenhuis bekleding bovenhuis vernieuwen hoekstijl, verf- en teerwerk en diversen. Voor totaal herstel zou een bedrag van f 140.000,– nodig zijn en er kon in alle opzichten gesproken worden van een duidelijke omschrijving in een urgente situatie. Maar toch niet in die mate urgent bevonden dat men spoorslags overging tot maatregelen. Het bleef aanvankelijk allemaal bij het oude en zou de molen bij een licht briesje omver gegaan zijn, niemand in de molenwereld zou zich daarover hebben verwonderd. Een molen die staat te verkommeren maakt op een ieder die er hart voor heeft een stervensmoede indruk. Dat was ook het geval in Ter Haar, waar eigenlijk een pijnlijk gekreun te beluisteren viel in de dragende schoren, heel dat molenhuis en de wiekenas, heel die standerd het werd zo zwaar, zo zwaar, hoe zou het gaan als er weer zware storm werd verwacht? Dat angstige pijnlijke zuchten werd toch door meelevende zielen onderkend, begin 1985 kreeg de molen steun. In de vorm van stutten die werden geplaatst door het Bos- en Landbouwbedrijf van de gemeente Groningen. Ook dat was een moeilijk gezicht maar het hield toch de hoop levend dat er ook nog eens positieve zaken aan de orde konden komen die stutten overbodig zouden maken.

Dat levende hoop kan worden omgezet in het stellen van daden bleek ook hier. Een man van technisch vernuft trok zich het lot van de oude molen aan en een eerste bespreking over eventueel herstel in maart 1985 was het begin van iets groots. Er waren onderscheiden vertegenwoordigingen bij deze bespreking. Ambtenaren van Wedeka-bedrijven (Wedeka = Werkgemeenschap De Kanaalstreek), een molenbouwer, Monumentenzorg, het technisch vernuft achter heel deze zaak (de heer Fokkens) van de technische dienst Stadsbezittingen en het Bos- en Landbouwbedrijf van de gemeente Groningen. Men zocht naar een vorm van samenwerking tussen Wedeka, molenbouwer en een toelevering van zoveel mogelijk materiaal door het houtbewerkingsbedrijf van de gemeente Groningen. Zoeken en vinden leverden de basis voor een naar later zou blijken vruchtbare samenwerking en een werkschema werd leidraad. Technisch kunnen en het aanboren van bronnen voor subsidies sloten elkaar niet uit zo leerde men hier in de praktijk. Een wonder van kunnen, waar toch doorgaans het boren van putten vanuit een andere gezichtshoek wordt bekeken dan het aanboren van geldbronnen. Zeker als men denkt aan een kostenbegroting van 286.000 gulden en een subsidie voor heel dat bedrag. Bij de start van het werk bleek de toestand van alle onderdelen nog slechter dan de toch al laag gespannen verwachting, meer ruïne dan molen om het zo maar te zeggen. Er was weinig bruikbaars meer aan, wat inhield dat er meer vernieuwd zou moeten worden dan gedacht. Toch stelde men een tijd waarop het geheel weer draaivaardig zou moeten zijn, voor het einde van 1986 zouden de wieken weer rond moeten kunnen gaan. Al zou dat zijn voor ‘de kale joffer’ (= draaien van het wiekenkruis zonder dat er gemalen wordt). Maar als eerste volgde een totale ontmanteling, daar waar eerst alleen maar een standerdmolen stond werd nu een terrein gezien met hier en daar voorwerpen die met enige goede wil de gedachte aan een voormalige molen vaardig maakten. Timmerde men in gedachten planken om een vierkant houten karkas dan viel er voor kenners een molenhuis van te maken. Ergens stonden staketsels van zware balken op stenen voeten, de dragende schoren. Overal wat, maar voor de leek onherkenbaar. Toch rijst uit dat alles in 1986 weer een standerdmolen op, waar geen kunstmatige maar uit natuursteen vervaardigde loper en ligger’ weer graan kunnen verbreken. Het jaar van volkomen vernieuwing werd vastgelegd. Op een nieuw gegoten ijzeren askop werd ingegoten ‘Ter Haar 1986 ‘. De Stichting De Friese Molen bleek een pelsteen over te hebben. Diep geroerd zoals echte molenliefhebbers betaamd, over wat daar in Ter Haar gebeurt stelde men die steen gratis ter beschikking. Onder voorwaarde evenwel dat de steen niet alleen geplaatst maar ook gebruikt kan worden, zo niet dan wordt een boete van f 500,– verlangd. De steen was in Birdaard vanwaar hij in de week van 23 september 1986 gehaald zou worden. In diezelfde week werd het aanzien op het bouwterrein nog vreemder. Daar werd met een kleine kraan de kap op de molenkast geplaatst, een volledig gedekt molenhuis waarbinnen een koppel maalstenen en dan staande op de begane grond zal in deze verlichte tijden niet zo vaak voorkomen. Het molenhuis bleef in die bijzondere stand een ‘nachtj ‘ over. De volgende morgen (24 september 1986) reed een zware vracht het bouwterrein op . Een enorme kraan uit Delfzijl waarvoor maar met moeite vaste grond onder de wielen gevonden werd. Enorm was de kraan en enorm was ook de som die neergeteld moest worden om het malenhuis naar boven te krijgen, 200 gulden per uur. Men kan dat ook weer relativeren door het in evenredigheid te zien met het gewicht dat naar boven moest, het molenhuis met inhoud (bovenwiel, maalstenen) betekende 21.000 kg hijsen. De kraanmachinist kon met recht en reden een kunstenaar in zijn vak worden genoemd. Met een minieme speling zakte het molenhuis centimeter na centimeter precies om tien uur met een zacht ‘tikje’ op zijn bed (= in molentaal ‘zetel’). Dat na deze operatie een zucht van verlichting opsteeg behoeft geen betoog. Teerlingen, dragende schoren, standerd, molenhuis en de uit verticale planken vervaardigde kap vertoonden toen een incompleet beeld. Trap, wieken en staart ontbraken aan het geheel op die 24ste september. Waardoor het geheel niet van een wankel evenwicht ontbloot, op de voorbijganger overkwam. Perikel en van voorbijgaande aard, nu zijn geschiedenis voor u ligt staat met een blinkende haan als windvaan op de kap, een standerdmolen bij Ter Haar, die in een grijs verleden verhuisde van ‘Hoge vestingwallen naar Ruime Landerijen’

 

Tekst: Geeske Koeman – Poel
Adviezen: Rijksdienst Monumentenzorg, Technische dienst der Stadsbezittingen Willem Fokkens
Research: Jan en Geeske Koeman
Totstandkoming publicatie: Gemeente Vlagtwedde
Uitgave: Gemeente Vlagtwedde
Bewerking: Anton Tiktak

21 December 2017